dinsdag 4 december 2007

Het is slecht weer in Hongarije. Het sneeuwt (nog) niet maar de temperaturen zakken zienderogen en mijn immuunsysteem zal waarschijnlijk binnen enkele weken harder op de proef worden gesteld dan ooit tevoren. Hoewel sneeuw tijdens de winter hier eerder de regel dan de uitzondering is,was het vorig jaar niet wit in de Hongaarse metropool. Kyoto heeft Centraal Europa dus ook in zijn greep en waarschijnlijk niet tegen de zin van de meeste Magyaren. U leest het goed, Centraal-Europa is de regio waar ik mij bevind en ik neem geen genoegen met het afdoen van dit land als een Oostblok misbaksel waar communisme nog diep vastgeroest zit in de mentaliteit. Althans dat veronderstel ik toch… Neem even de tijd om samen met mij het lijstje af te gaan.

De Hongaarse economie ziet af en nog niet zo’n klein beetje. De huidige paarse regering heeft onder leiding van de socialistische premier Ferenc Gyurcsany het plan opgevat om stevig de riem aan te halen. Pensioenen zijn laag en het ziet er niet naar uit dat die snel zullen worden opgetrokken. Bovendien staat er een enorme staatsschuld in de begroting die de komende jaren menig Hongaars politicus kopzorgen zal bezorgen. Inflatie lijkt in toom te kunnen worden gehouden maar de werkloosheid is van de koppige soort en weigert ook maar in de minste mate af te zwakken. Toch lijkt niet alles kommer en kwel en de Hongaarse economie wordt tot de meest beloftevolle van de EU-landen die in 2004 toetraden gerekend. Ik denk het er mijne van als het gemiddeld Hongaarse inkomen 61 procent bedraagt van het Europese gemiddelde.

Meneer Gyurcsany zit sinds april 2006 terug in het zadel en leidt het land voor een tweede ambtstermijn. Dit maakt hem voorlopig een politiek unicum (Hongaars woordmopje, voor zij die het begrijpen kunnen) aangezien hij de eerste premier is die voor een tweede ambtstermijn mag plaatsnemen sinds de transitie naar een democratisch Hongarije. Reden om toch te geloven dat de man in kwestie het land naar behoren weet te sturen. Zijn speech voor de socialistische partij in 2006 had alles om het roer om te gooien, was het niet dat zijn redevoering werd gelekt naar de pers waarop een ware opstand plaatsvond in downtown Budapest. De premier biechtte op dat zijn partij opzettelijk had gelogen om de verkiezingen te winnen en dat de situatie veel minder rooskleurig was dan werd aangenomen. Zijn interne partijbiecht aangedikt met de nodige obsceniteiten en onverbloemde positie-inname werd niet door iedereen in dank aangenomen. Zijn drang naar verandering werd hem niet fataal maar de geweldadige protestmarsen die volgden in de weken erna zorgden voor een zeer gespanne sfeer. Niets nieuw onder de zon volgens mij, politiek is overal dezelfde soep en Hongarije is hierop geen uizondering. Persoonlijk classificeer ik Hongarije als een zeer democratisch land waar de grootste pijnpunten zijn weggewerkt. Corruptie zal waarschijnlijk nog wel her en der aanwezig zijn, politieke benoemingen zijn eigen aan elk Europees land en er is een duidelijke scheiding der machten.

De stad waar ik vertoef heeft vele gezichten en ik kan dan ook moeilijk de Hongaarse maatschappij typeren in enkele simpele zinnen. Persoonlijke ervaringen en indrukken zullen dan ook deze paragraaf grotendeels vorm geven. Het socialisme, het maatschappelijke, economische en politieke model voor 1989 was de toestand die het eigenlijke communistische ideaal moest voorafgaan. Deze overgangssituatie moest fungeren als overgangsmodel tot het communisme werd bereikt na nietaflatende inspanningen van het proletariaat. Getuige de bombastische standbeelden in het ’Statue park’. Daarmee is dan ook de voornaamste resterende herinnering aan dit samenlevingsmodel vermeld. Budapest telt welgeteld nog 1 communistisch herdenkingsmonument dat er misschien ook weldra aan zal moeten geloven. Straatnamen kregen hun oorspronkelijke naam terug, standbeelden werden uit het straatbeeld verwijderd en het socialisme werd op elke manier mogelijk uit het zicht gebannen. In de plaats kwamen neon-verlichting, reclamepanelen, talrijke herdenkingsmonumenten naar de slachtoffers van de revolutie van 1956 en de drang naar verandering. Hongarije werd niet voor niets tijdens de Koude Oorlog ’the happiest barrack of the Sovjet-Union genoemd’. De wil om eindelijk terug aan te sluiten bij het westen, de plaats waar Hongarije zich het liefst tot ziet behoren, was en is duidelijk aanwezig. Spijtig genoeg zit mijn oog ook andere dingen.Een grote en groeiende populatie daklozen is misschien datgene wat steeds over mijn lippen rolt hier als er gevraagd wordt naar verschillen met mijn thuissituatie. Weldra zullen de kranten weer berichten over doodgevroren daklozen volgens Reka. Mensen die hun levensstandaard zagen dalen (!!) na de implosie van het communisme werden slachtoffer door zelf afgesloten leningen die achteraf niet konden worden terugbetaald. Vele mensen vielen uit de boot en een reddingssloep was voor deze mensen in een sterk veranderend land niet evident. Een blik op het meest recente ’homelessness report Hungary’ leert mij het volgende. Elke dakloze in Budapest heeft een kans van 1 op 13 om een bed te bemachtigen voor de nacht. Het nationaal gemiddelde is iets beter, daar staan voor elk bed 7 daklozen aan te schuiven. Ik wil hiermee geen negatief beeld scheppen van een stad waar ik graag vertoef. Brussel, Antwerpen of Luik vertonen dezelfde pijnpunten, al dan niet in dezelfde mate.

Heb ik hier dan te lijden onder een cultuurshock? Zijn de dingen hier fundamenteel anders? Wordt er hier anders gedacht? Mijn gevoel zegt van wel al ondervind ik er weinig van. Toch enkele voorbeeldjes.

Het verkeer is hier druk en Budapest puft onder de dagelijkse lading auto’s en vrachtwagens die de stad inrollen. Het openbaar vervoer is heel goed, met zelfs nachtbussen in het weekend tot 3 uur s’nachts. En toch, het is er bij momenten druk, getuige de overvolle invalswegen. De mentaliteit van de chauffeurs laat ook te wensen over. Ondanks herhaalde waarschuwingen van Reka begin ik nu pas te beseffen dat koning auto hier eerder de status van keizer heeft. Een voetganger moet wegspringen of het gewoonweg niet wagen zijn ledematen te ver te laten uithangen. Een chauffeur zal hier steeds zijn voorrang nemen zelfs als er een voetganger reeds van ver aangeeft de baan over te steken. Et vwala! Een cultuurverschil!
Als die voetganger in kwestie zo ver zou geraken als tot het eerstvolgende restaurant dan zou hij daar ook andere dingen tegen komen dan thuis. Gerechten zijn hier steeds voorzien van zure room, paprika, een bijbordje ’crudités’ of het befaamde ’poppy seed’. Het eten is zwaar het meeste van de tijd maar wel heel smaakvol. Het eten in de cafetaria van de bank is ook heel goed en niet duur. Maar om nu te zeggen dat ik me hierdoor niet zou thuisvoelen is niet waar. Alhoewel ik wel is goesting heb in een pak frieten, want dat verkopen ze hier enkel in de fast-food restaurants waar de frieten steevast veeeel te zout zijn! KFC, Burger King, McDonalds, chinees eten en kebab zijn hier talrijker als in Brussel. En vaak ook gewoon veel langer open. Als ik aan het begin van mijn straat ben moet ik welgeteld drie minuten naar rechts stappen voor een McDonalds en Burger King en drie minuten naar links voor een ander McDonalds en Burger King. Het is hier ook iets goedkoper als thuis maar niet veel. Wel is plezant maar echt gegeten heb ik er toch niet mee. Hongaren zijn toch een beetje fast food gek naar mijn mening alhoewel ik hier nu Amerikaanse toestanden zie.
Op persoonlijk vlak zou ik niet veel verschillen kunnen bemerken met de mensen van mijn leeftijd thuis. Hoewel ik moet toegeven dat politiek hier misschien gevoeliger ligt als thuis. Tijdens ons weekend in Eger een paar weken geleden stak de licentiaat politieke wetenschappen in mij de kop en kon ik het niet nalaten te vragen waarvoor de mensen rondom mij stemden. Op zich al een riskante onderneming maar ik dacht dat mijn status als Belg in het buitenland mij een zeker krediet zou verschaffen. Niet dus. De vraag werd keer op keer van tafel geveegd met een ’ maakt niet uit, ’zeg ik liever niet’, ’ ik wil geen ruzie met mensen die ik graag te vriend hou’ of ’ ik stem op alles buiten extreem rechts’. Die laffe antwoorden konden voor mij niet door de beugel en ik besloot het over een andere boeg te gooien. Ik veranderde mijn vraagstelling in ’Voor welke partij zou je NOOIT stemmen’ en met meer gevolg deze keer. Het opstellen van die vragenlijst over de nachtvluchten in tweede kan heeft mij dan toch iets geleerd. Spontaan werden partijen genoemd en achteraf bleek dat ik als buitenlander er toch meer in slaagde om de tongen los te maken. Toch verbaasde het mij dat de reacties eerst zo koud waren, zeker na een paar glazen wijn. En het bleek niet makkelijk om zelfs wat meer uitleg te krijgen over de politieke situatie want dat betekent in zekere zin ook kleur bekennen. Ach, ik zal verwend geweest zijn met 4 jaar studeren tussen mensen die politiek als één van hun grootste interesses hebben. Mijn Vlaamse bril zag dus misschien wat meer terughoudendheid, ik vraag mij af of het politieke verleden nog steeds het Hongaarse equivalent van mijn generatie nog een beetje vast houdt.

Geen opmerkingen: